Het jonge kuchende mereltje kucht niet meer. In mijn onnozele onwetendheid was ik ervan uitgegaan dat dit kleintje een soort van onschadelijke erfelijke merelbronchitis had. Vorig jaar had dezelfde moedermerel namelijk ook een jonkie dat kuchte. Gelukkig kreeg ik een mailtje nadat ik het verhaaltje over het kuchertje had geplaatst met uitleg dat het kuchen komt door luchtpijpmijt en te behandelen is met anti-luchtpijpmijt-druppels. Nu is hij dus zowel zijn kuchje als de luchtpijpmijt kwijt
Het kleine mereltje was vanaf het begin niet bang van ons en al snel at hij meelwormen uit de hand.
Dat was ook nodig omdat er veel volwassen merels en mussen eten komen halen om hun jongen te voeren. Die vogels pikken zo snel hun snavel vol met zoveel mogelijk meelwormen dat er dan voor het kleintje weinig overblijft. Het jonge mereltje durfde als enige uit de hand te eten en had daardoor rustig de tijd om zoveel te eten als hij wilde.

Van die volwassen merels hebben drie koppeltjes vlakbij hun nest. Zij komen onder andere hier dagelijks eten zoeken. Nu we ze vaak en van dichtbij zien, zien we ook de verschillen tussen hen. Eén vrouwtjesmerel zet vaak de veertjes op haar kop omhoog waardoor het lijkt alsof ze een kuifje heeft.

Afgekort duiden we “de merel die vaak de veertjes op haar kop omhoog zet” aan met “kuifje”. (Net zoals “de kauw met die verschrompelde klauw aan zijn pootje” “Pootje” genoemd wordt.)
Kuifje was de minst schuwe van de volwassen merels. Ze keek ook al snel van het jonge mereltje af dat het veilig was om meelwormen uit onze hand te eten en dat je er dan meer te pakken kreeg dan wanneer je alleen van de grond at. Het duurde niet lang voordat ook zij vlakbij kwam, om zo vlug als ze kon een wormpje uit onze hand te pakken.

Na enkele keren vertrouwde zij ons ook. Nu is het zelfs al zo erg dat ze komt schooien als we in de tuin zitten en zogauw we opstaan met ons meevliegt naar de keukendeur. Als we vanuit de keuken weer naar buiten komen met een schaaltje meelwormen vliegt ze mee naar het punt waarop we op onze hurken gaan zitten om te voeren. Propte ze eerst haar snavel nog zovol mogelijk waardoor ze af en toe een worm verloor, nu weet ze dat ze elke keer voldoende krijgt voor een aantal vluchten. Daardoor pakt ze precies zoveel meelwormen als ze goed mee kan nemen naar haar nest om daarna snel terug te komen voor een volgende portie.

Het is een fantastische tijd nu. De vogels hebben zoveel eten nodig om hun jongen te voeren dat ze goed door hebben waar en bij wie ze dat het beste kunnen vinden (en hoe ze op ons gevoel in moeten spelen dat we opstaan om meelwormen te gaan pakken
). Als straks alle jonge vogels uitgevlogen zijn en de drukte van het hele dag voedsel zoeken weg is, verdwijnt ook dit frequente contact van zo dichtbij. Met behulp van de meelwormen hebben we deze maanden nog meer plezier van de vogels in de omgeving.