Met mijn verjaardag kreeg ik, heel toepasselijk, ook een vogelboekje. Daarin staan de meest voorkomende vogels beschreven die je in tuinen en parken vindt. De uiterlijke kenmerken, hoe je vogelsoorten die op elkaar lijken kunt onderscheiden, wat ze eten, hoe hun nesten en eitjes eruit zien, hoe vaak ze broeden, én nu komt het, welke geluiden ze maken
.
Nou vind ik natuurgeluiden in fonetisch schrift iets boeiends hebben. Op de een of andere manier lukt het me zelden om fonetisch geschreven geluiden te koppelen aan de geluiden die ik hoor. Ik heb overigens immense bewondering voor de deskundigen die de vogelgeluiden om hebben gezet in die woorden en letters, ik zou het werkelijk niet kunnen.
Nu vraag ik me natuurlijk af of ik de enige ben die daar moeite mee heeft. Tijd dus voor een ‘raad het vogel-fluit-geluid’ testje 
Om het niet al te moeilijk te maken doen er alleen vogelsoorten mee die hier ooit hebben gegeten. Van elke vogelsoort staat er een foto, speciaal voor de mensen die aan de vorm van de kop of snavel het geluid kunnen aflezen. Van de stads- of postduif heb ik helaas alleen een foto terwijl ze overvliegen. Ze hebben hier wel eens gegeten maar van het eten zelf heb ik geen foto.
De foto’s van de vogels zijn genummerd van 1 tot en met 12, de letterlijk uit het boekje overgenomen omschrijving van de vogelgeluiden van A tot en met L.
Welke cijfers horen bij welke letters?

1. heggemus:

2. merel:

3. koolmees:

4. ekster:

5. houtduif:

6. kauw:

7. huismus:

8. turkse tortelduif:

9. spreeuw:

10. groenling:

11. stadsduif of postduif:

12. roodborstje:

A:
In vlucht hese geluiden zoals ‘èrr’ of ‘brrch’ of ‘tjuurr’. Alarmroep scherp ‘kjètt’. Veel imitaties van andere vogels of mechanische geluiden zoals mobiele telefoon.
B:
Contactroep fijn rollend ‘srrieh’. Alarmroep gedempt ‘djoek’ of harder ‘dak dak dak’ of luid schreeuwend ‘tieks, tieks, tieks’.
C:
Zang is herhaling van allerlei eenvoudige, fluitende, twee- of drielettergrepige motieven.
D:
Roept kort ‘ghuup’, vaak snel herhaald, tevens fluitend stijgend ‘djuuie’. Zang mengsel van kwetterende tonen en kenmerkend ‘dzwèèh’.
E:
Roept onopvallend ‘tiehiehiehie’, bij gevaar hard, fluitend ‘tieh’.
F:
Roept kort scherp ‘kia’ of ‘kjak’. In vliegende groep ook vaak herhaald en babbelend. Soms ook langgerekter ‘kjaar’.
G:
Roept vaak vlak voor landing nasaal ‘mèèh’. Zang drielettergrepig ‘koe-kóe-koe’ (klemtoon op tweede lettergreep.
H:
Zang, rollend, aanhoudend ‘koe-roe-koe’.
I:
Zang, traag, herhaald, ritmisch, ‘roekóekoekoekoe’ (klemtoon op tweede lettergreep)
J:
Vaakst te horen is hees kakelende, snelle staccato-roep, ‘tsjektsjektsjek…’ of ‘kekkekkekkek’.
K:
Roept hard kort ‘tik’, vaak in series herhaald. Alarmroep zeer fijn ‘sieh’. Fraaie moeilijk te omschrijven parelende ijle zang.
L:
Gevarieerde, tsjilpende roepjes. Bij opwinding doordringend ‘tetetet’ of ‘tschet-tschet‘.